dinsdag 20 augustus 2013

Leven in Frankrijk : Jongens waren we, maar aardige jongens

Laatst fietste ik met kleinzoon Issa van drie en half langs de grote rivier. Hij voor op zijn stoeltje aan het stuur, kletste honderduit. Er kwam een grote duwboot aanvaren. Ik wees, hij wees, wat een grote boot, wat rijdt ie hard. De boot passeerde, wij bleven kijken. Kijk nou opa, een auto op de boot ... nou ja, dat is raar, volgde hoogst verbaasd. Dag boot, dag auto, wij fietsten verder.
Bij de schapen weer even gestopt. Boe en beh, en aaien. Doei schapen, tot de volgende keer. We vervolgden onze tocht, en maar kletsen.
Toen na een korte stilte ...Wij zijn jongens, he opa?
Ja nou en of Issa, wij zijn jongens. Ik aaide zijn bol.
De schrijver Nescio, wist ik. De openingszin van zijn boek de Titaantjes: Jongens waren we, maar aardige jongens.

Vorige week bij Jean Pierre gegeten. Buiten op het terras aan het kerkplein. Vlees weer niet je dat, groente weer te lang in de magnetron. Maar wij vinden het wel een beetje goed, voor hem dan. Ik ging aan bar betalen en zag bij het weer naar buiten komen een dode muis onder tafel. Ik riep JP en zei dat dit geen goede reclame voor zijn keuken is. Ik vond het erg leuk, hij niet.
Jongens zijn wij, bijna aardige jongens.

Afgelopen zondagavond ambulance in ons straatje. Oude buurman Bernard ging op de brancard mee, oude Jeanne huilend er achter. Hersenbloeding. Andere dag kwam ze vertellen dat hij deels verlamd is, aan mond en arm. Maar de dokter had goede hoop. Toch nog, liet ze er achter volgen. Hij moest nog zeker even blijven en daarna revalideren.
Laat ie zich maar geen zorgen maken over zijn tuin, zeiden Chris en ik, Alain en Roger doen ook zeker mee.
Jongens zijn wij, hele aardige en goeie jongens.

maandag 12 augustus 2013

Leven in Frankrijk: Als een zuurstok

Vlak bij ons ligt het dorpje V. 't Is eigenlijk een dorpje van niks. De ellende is, denk ik, dat er een weg door heen loopt. Een drukke weg van A naar B die het dorp klieft. Links van die weg kom ik bijna nooit. Er staan wat boerderijen en een enkel woonhuis. Meer dan sfeerloos. Rechts van de weg kom ik wel eens, tenminste ik rijd er dan door heen.
Ik weet er zo maar een hele mooie oude boerderij met een grote cour waar kippen scharrelen. Dan weet ik er een prachtige boerenwoning, met een laag dak, helemaal rietgedekt. Een plaatje, dat wel, maar het moet niet in dat dorp staan. Het stadhuisje is wel zo goed waardeloos. Zo'n hopeloos jaren 60 of 70 geval, een blokkendoos. Het staat er te staan en dat is al meer dan genoeg.
Maar dan. Dan staat er een klein herenhuis, een maison de maitre. Een klein oprijlaantje dat door een oud verroest hek is afgesloten. Nooit een levende ziel gezien.
Het dorp is niks, maar dat huis ... Jaloers zijn we er op, maar het staat er verkeerd. Wat wel mooi is dat er een heel klein kerkje naast staat. Geen kapel, nee, een kerkje. Het is van leem, lichtelijk in verval en altijd gesloten.
Mooi naast elkaar, het maison de maitre en het kerkje. We rijden er altijd heel langzaam voorbij en strekken en verrekken onze nekken. Aan de overkant van het huis grazen loom de koeien, of ze staren je na.
Vorige week vloog ik bijna de bocht uit, bijna pardoes tussen de koeien beland.
Het huis, het maison, 'ons ' maison, was geschilderd. Helemaal, van top tot teen.
Licht roze !!
En, godbetere, de zon scheen er ook nog op.
Midden op de weg sta ik stil, droge mond en dito ogen, welke idioot .... Dan zie ik dat de deur van het kerkje open staat. Nog nooit gezien. Buiten staan ladders tegen de muur.
Net als ik uit wil stappen wordt er achter mij hard geroepen en getoeterd. Mijn auto wordt bijna opgegeten door een immense combine. Allez, roept een boer. Vite !
Dat deed ik dan maar. Geen idee waar ik die middag verder gereden heb.

maandag 5 augustus 2013

Ome Arie in de bocht

Vorige week maar weer eens gezellig boodschappen bij de nieuwe Lidl gedaan. Mooie locatie in het dorp F. ruime parkeerplek, zelfs met kunst! Prachtige zaak, mooie frisse indeling en veel keus. Ze verkopen ook vers afgebakken brood, maar dat mot ik niet, daarvoor ga ik naar m'n eigen bakkertje. Vlees koop ik bij de enige winkel, dus slager, in ons eigen dorp.
Zo dan.
Bij de Lidl'se broodafdeling staat een klein, heel oud mannetje, beetje scheef gezakt, gekleed in een eens groen werkpak, beschimmeld petje op zijn hoofd. Linkerhand houdt de boodschappenkar vast, rechterhand graait in de voorgebakken stokbroden. Hij legt er een in zijn nog lege kar.
Even later zie ik dat hij een plastic vaatje wijn in zijn kar heeft gezet en .. hij heeft een stuk van het stokbrood afgebroken en loopt daaraan te sabbelen. Zijn tandenloze mond versterkt zijn ingevallen wangen.
Omdat Chris en ik beiden geen ome Arie hebben, vinden wij dat dit mannetje daarvoor in aanmerking komt
Chris en ik slalommen door de winkel en vullen onze kar. Af en toe zie ik het mannetje. Hij bekijkt alle producten, zijn kar blijft even leeg als daar net.
Bij de kassa staat hij voor ons. Hij zet de plastic wijn op de lopende band en legt het inmiddels half afgekloven stokbrood er naast. Dat mag u niet meer doen zegt het kassameisje. We verkopen grote en kleine stokbroden, en nu weet ik niet welke het was.
Het mannetje praat onverstaanbaar tegen haar, ook nog in dialect, hij houdt zijn wijsvinger en duim wijd uit elkaar. Hij hikt van het lachen en het meisje krijgt een rode kleur. Hij betaalt en zwalkt naar buiten.
Als wij even later buiten komen, schrikken we van de herrie. Het lijkt wel een laag vliegende straaljager.
Een vaal rode. heel oude Renault5 komt over het parkeerterrein aangereden. Stapvoets, dat wel, maar op volle toeren, slippende koppeling, hij schakelt een paar keer verkeerd, je hoort de tandraderen knarsen en ratelen. Zonder te kijken draait ome Arie het terrein af, de weg op, richting ..... tja, naar tante Lena waarschijnlijk.